157. Vier keer Parijs

The cour du louvre with the arc de triomphe du carrousel, Achille La Nièce

I.

Allemachtig, het Louvre. Je wandelt het plein op en de overdaad is al voelbaar. En dan ben je nog niet eens binnen. Ik heb, wandelend door de vleugels van het gigantische paleis van de oude Franse koningen, wel een aantal keer hardop gezucht: “Het is te veel, het is te veel.” Al snel ben ik murw gebeukt door de overdaad van werken in het museum.

Daarnaast is het, ook op zomaar een donderdagochtend, een kwestie van over hoofden lopen in het Louvre. Stervensdruk. Ik ga na binnenkomst in een streep op de Mona Lisa af. Het meesterwerk van Leonardo da Vinci. Het absolute topstuk. Je kunt het schilderij onmogelijk goed bekijken, want je schuifelt door een fotograferende menigte tot je op een meter of drie afstand afstand van het werk tegen een hek stuit. De Mona Lisa bekijk je niet, de Mona Lisa vink je af.

Er is zoveel te zien in het Louvre dat het duizelt. De Kroning van Napoleon van Jacques-Louis David. Mijn hemel. De Vrijheid leidt het volk van Eugène Delacroix. Ou la la. Er hangt zóveel imposant werk maar het is ondoenlijk om er rustig naar te kijken.

Bij de beelden maak je meer kans. De Venus van Milo, een tweeduizend jaar oud beeld van een tijdloze schoonheid. Het werk is ruwer dan ik me had voorgesteld. In dezelfde ruimte vind je beeldhouwkunst met veel meer verfijning en toch: niets haalt het bij de Venus.

De Mona Lisa.
Het paaseilandbeeld Moai Hava.
De Venus van Milo.
Op de achtergrond: De Vrijheid leidt het volk.

II.

Een stuk rustiger is het in het Musée d’Orsay. Tot je op de vijfde verdieping komt dan, waar topstukken van onder anderen Vincent van Gogh, Claude Monet en Paul Gauguin hangen. Maar zelfs dan kun je prima naar de schilderijen kijken en van dichtbij zien hoe dik Van Gogh de klodders olieverf heeft aangebracht die het prachtige Sterrennacht boven de Rhône vormen.

Veel minder bekend was ik met het werk van Gustave Caillebotte, maar die naam vergeet ik nu ook niet meer. Op zijn La Partie de bateau staat een man afgebeeld in een roeiboot en dankzij het moderne (we praten dan wel over 1877-1878) perspectief lijkt het alsof je erbij bent. Of alsof de schilder een foto met zijn telefoon heeft gemaakt. Nog zo’n waanzinnig werk van Caillebotte: Les raboteurs de parquet.

Van Monet hangt er genoeg. Bijvoorbeeld: Essai de figure en plein-air: Femme à l’ombrelle tournée vers la gauche. Doet mij direct denken aan beelden uit de Ghibli-film The Wind Rises. Maar het mooiste schilderij van Monet wat in het Musée d’Orsay hangt, is Nymphéas bleus. De blauwe waterlelies. Geschilderd op zijn oude dag. Losse toets. Alle streken raak.

Campagne de France.
Les raboteurs de parquet.
(Een deel van) Sterrennacht boven de Rhône.
Nymphéas bleus.

III.

De basiliek Sacré-Cœur. Prima. Imposant gebouw natuurlijk. En dan die brede trappen die ervoor liggen, met uitzicht over een groot deel van Parijs — al kun je de Eiffeltoren nét niet zien. Het pleintje vlakbij in de kunstenaarswijk Montmartre is eigenlijk leuker, waar schilders naast elkaar achter hun ezels zitten te kwasten. Mooi beeld.

Iets verderop woonde ooit Vincent van Gogh met zijn broer Theo. Aan de Rue Lepic nummer 54 om precies te zijn. Even langsgelopen. Tja, wat kun je er zien? Een blauwe deur en een plakkaat aan de muur waarop de naam Vincent van Gogh staat. Hij schilderde hier onder meer Gezicht op de daken van Parijs vanuit het raam van zijn appartement. Als je beneden op de stoep staat, herken je het gebouw rechts op het schilderij.

En dan die andere kunstenaar: Keanu Reeves. Hij nam in Montmartre bij de Sacré-Cœur belangrijke scènes op voor de film John Wick 4. Op de lange smalle trappen naar de top van de heuvel speelt zich een knokscène af die pak ‘m beet tien minuten duurt. Het is een van de hoogtepunten uit de film. John Wick legt de een na de andere vijand om en rolt zo vaak van de treden naar beneden dat het komisch wordt.

Wat Van Gogh zag als hij naar buiten liep. Rechts het gebouw dat je ziet op Gezicht op de daken van Parijs.
John Wick 4-reconstructie.

IV.

De begraafplaats Père-Lachaise is een bijzondere plek. Er liggen duizenden graven, veel zijn eeuwenoud. Schrijver Oscar Wilde ligt er begraven onder een strak monument dat lijkt op een kruising tussen engel en sfinx. Verderop ligt Edith Piaf. Keurig onderhouden steen, groot kruis met Jezus erop. Wat foto’s, vers boeketje in een vaas.

Hoe anders is het graf van Jim Morrison, zanger van The Doors. Ik heb als tiener vrij obsessief naar de band geluisterd, vooral het debuutalbum The Doors is ongeëvenaard. Die zet je op en kun je daarna niet meer afzetten. Het is dan een kwestie van accepteren: die gaat een hele dag op herhaling.

Morrison ligt dus begraven op Père-Lachaise. Er staan dranghekken voor zijn graf, wat toch al wat onhandig geplaatst is achter een tombe van iemand anders. Geen idee van wie. Dat is het tragische lot van begraven liggen voor Mr Mojo Risin, je graf vormt niet meer dan een obstakel.

Het graf van Morrison stemt me droevig. Ik besef ineens dat hier een 27-jarig talent ligt begraven, dat 55 jaar later nog elke dag bezoek ontvangt. Hij ligt in een vervallen graf. Slecht onderhouden. In 1988 werd een stenen buste gestolen die op het graf stond¹. Er staat nu een verweerde engel. Mensen klimmen over de hekken heen, want het graf ligt bezaaid met foto’s en bloemen.

Richting de uitgang van het kerkhof loop ik nog even langs de plek waar Georges Méliès ligt. Hier geen bloemen en publiek, wel een bescheiden bronzen beeld van de Franse filmpionier. Op de grafsteen staan, naast zijn naam en jaartallen, de schitterende woorden: Createur du Spectacle Cinematographique.

Het familiegraf van Edith Piaf.
Hier ligt Jim Morrison.
Createur du Spectacle Cinematographique.

Je las blog №157, geschreven in de week van 9 tot en met 15 maart 2026. Abonneer je op mijn nieuwsbrief en je ontvangt ‘m elke zondag gratis in je mailbox.