63. Japan (deel 2)



In Japan is elke wijk en stad anders, maar één ding is overal hetzelfde: het koekoeksgeluid dat aangeeft wanneer voetgangers kunnen oversteken. Koe-koek. Koe-koek. Ik droom er nog net niet over, zo veel hoor je het.

Alles krijgt hier een uniek geluid of lied. De stations, de supermarkten. De liedjes zijn vaak catchy, zoals die van supermarkt FamilyMart en alleswinkel Don Quijote.

In Matsumoto galmen de luidsprekers bij verkeerslichten pas echt over de straten. Je kunt niet naar buiten zonder het gekoekoek en getjilp te horen.


We zijn maar kort in deze stad, een tussenstop onderweg naar Kyoto. Hier bezoeken we het Matsumoto City Museum of Art, waar kunstinstallaties staan van de flamboyante kunstenaar Yayoi Kusama. Zij werd 95 jaar geleden in deze stad geboren. Een van haar bekendste werken is de enorme gele pompoen met zwarte stippen.

Tot mijn verrassing is er in het museum toevallig een expositie over Black Jack, een mangaserie van Astro Boy-bedenker Osamu Tezuka. Er hangen kamers vol met origineel inktwerk van de tekenaar. Ik zie zijn waanzinnig strakke lijnwerk, zeer subtiele arceringen en de plekken waar Tezuka foutjes heeft weggehaald met Tipp-Ex. Ik kijk mijn ogen uit.

Ook een museumbezoek in Japan geldt als een uiterst geduldige en respectvolle exercitie. Iedereen sluit keurig achter elkaar aan in een lange rij en als je je laat meevoeren kun je alle werken een voor een rustig bekijken. Voordringen bestaat hier niet. En er zijn nergens telefoonschermpjes, want je wordt vriendelijk doch streng verzocht geen foto’s te maken. Alleen voor de pompoen wordt een uitzondering gemaakt. Er volgt zelfs een aanmoediging van de toezichthouder. “Here take picture!”



Matsumoto is vooral bekend vanwege het imposante Kasteel Matsumoto. Gebouwd rond 1500 en uniek vanwege zijn zwarte buitenmuren, waaraan het de bijnaam Kraaienkasteel dankt. Het is een van de oudste complete kastelen van het land die nu elke dag wordt overladen door toeristen. Ik benadruk: overladen.

Ook wij stappen - schoenen uit - naar binnen en worden met honderden andere mensen langs steile en smalle trappen van beneden naar boven en weer terug geloodst.

Een aantal vitrines toont oude geweren en er staan enkele samuraïpantsers, maar er is al met al weinig te zien. Een glimp van hoe het kasteelleven uit de late middeleeuwen is geweest krijgen we nauwelijks. Je sjokt wat achter elkaar aan en opzichters houden bezoekers strak in de rij. Je vraagt je af: zijn we hier nou net binnen gestapt om in een wachtrij naar buiten aan te sluiten?



We nemen twee treinen en zijn dan in Kyoto. De eerste trein doet er twee uur over en de tweede een halfuur, terwijl de ritten qua afstand niet eens zo veel schelen. Het betekent vooral dat de Shinkansen gruwelijk hard gaat (300 km per uur). De treinen op het hogesnelheidsnet worden niet voor niets kogeltreinen (of bullet trains) genoemd. Je voelt de snelheid aan je oren, je schiet door het landschap.

In Kyoto valt direct op hoe groen de stad is. Overal staan bomen. Ze groeien zelfs door gebouwen heen. Of de gebouwen zijn er omheen gebouwd, dat is misschien logischer en daarom mogelijk niet waar. Ze worden in elk geval niet gekapt omdat zonodig iemand 50 centimeter nodig heeft om een muurtje te bouwen. Uit elke spleet groeit een prachtige boom, zonder dat het de stad overwoekert.

Al dat groen geeft de stad karakter. Niet dat het daaraan tekort komt. Omdat Kyoto in de Tweede Wereldoorlog niet is gebombardeerd, hebben veel gebouwen hun klassieke stijl behouden. Puntdaken, laagbouw, veel hout.



Traditie wordt hier volledig uitgemolken en vercommercialiseerd. We wandelen van tempel naar tempel, de een nog mooier dan de andere. Het barst er van de mensen in kimono’s. De meeste zijn toeristen. Er zijn wel echte geisha’s in de stad, entertainers met spookachtig witte gezichten, maar je ziet ze nauwelijks in het openbaar. En zie je ze toch, dan lijken ze haast te hebben. Liever ook geen foto’s.

Het is een groot contrast met de toeristen in gehuurde kimono’s die hele fotoshoots organiseren voor tempels en pagode’s. Het ziet er tegelijk ongemakkelijk uit, alsof toeristen in Amsterdam allemaal op klompen en in Zaans kostuum zouden lopen.


De Fushima Inari Taisha is een van Kyoto’s bekendste tempels, vanwege de ruim tienduizend oranje poorten die langs de paden naar de top staan. In het begin van de route is het wurmen door groepen mensen die in de drukte selfies maken, tien minuten verder is het al een stuk rustiger. Niet iedereen heeft zin om eindeloos trappen op en af te klimmen. Gelukkig voor ons.

De poorten zijn gesponsord en nieuw en oud staat door elkaar. In Japanse karakters staat het jaartal van plaatsing en een boodschap. Al deze poorten (torii) bij elkaar in dat groene bos, omgeven door met mos bedekte stenen beelden, leveren iets op wat je nooit eerder hebt gezien en nergens anders zult zien. Het zonlicht dat zijn weg naar beneden vindt, door de bladeren in de bomen en door de poorten, geeft de route een gouden gloed.



We lopen elke dag veel, nemen nauwelijks een rustdag. Je blaast in Japan niet even uit op een terras, want terrasjes bestaan niet. Net zoals natafelen niet bestaat. Je eet, je betaalt en bent weer weg.

Vaak krijgen we een plaats aan de bar, direct aan de keuken. Links en rechts naast ons zitten ook mensen. Toch zit je verrassend privé te eten. De koks doen hun werk (en subliem, het eten is hemels), er zijn geen obers die steeds vragen of alles naar wens is. Een voordeel van de antifooicultuur; je wordt met rust gelaten. Pas als je naar huis gaat, bedankt de hele zaak voor je komst. Soms zwaait een gastheer of -vrouw je nog even uit.



Op de laatste dag in Kyoto nemen we de tram naar Arashiyama om het bamboebos te zien. Ons cashgeld ligt nog in het hotel en daar komen we achter na een uur lopen, bij een shrine waar je entreegeld moet betalen. Alleen contant.

Hier zijn geen ATM’s in de buurt, maar een vrouw met een klein koffietentje iets terug op de route helpt ons uit de brand. We pinnen 1.000 yen en nemen er twee biertjes bij. Die smaken heerlijk in de warmte en we tikken ze zo snel weg dat we enigszins aangeschoten onze weg vervolgen.


Bij de Otagi Nehbutsa-tempel staan 1.200 stenen beeldjes die de discipelen van Boeddha uitbeelden. De shrine is in 766 gebouwd maar kreeg door de jaren heen een paar natuurrampen te verwerken, waardoor hij in de tweede helft van de vorige eeuw opnieuw gebouwd moest worden.

Monnik Kocho Nishimura kreeg daarover in de jaren vijftig de leiding en de herstelwerken duurden vanaf 1981 nog een decennium tot het huidige eindresultaat. De beeldjes werden in die jaren door amateurbeeldhouwers gemaakt, die Nishimura (naast monnik ook kunstenaar) bezochten om het vak te leren.

Het is een bijzonder aangezicht, zoveel beeldjes in de heuvels. Allemaal zeer expressief. Sommigen bidden, anderen schaterlachen. Een eindje weg van de drukte was dit een van mijn favoriete shrines in Kyoto.



Dat bamboebos waarvoor we naar Arashiyama kwamen valt tegen. Het is bijzonder om het bamboe tot in de hemel te zien reiken, maar uiteindelijk is het gebied vooral klein en druk.

Zo eindigt ons verblijf in Kyoto, dat een prachtige en eigenzinnige stad is - met een mooie selectie aan lokaal speciaalbier. Onze bezoeken aan toeristische attracties zorgen voor een onverzadigd gevoel. Hebben we wel genoeg van de échte stad gezien? Tegelijkertijd weet ik: de honger naar meer is altijd onstilbaar in Japan.

Een dag later vertrekken we naar Osaka. Even geen tempels meer, hoewel: Super Nintendo World staat op het programma.



Volgende week het laatste deel van de reis door Japan. Wil je het niet missen, abonneer je dan gratis!